Shinyanga – Buhangija

Africa, Blog, My travel stories, Tanzania

In de vorige blog heb je kunnen lezen dat ik met stichting Inside The Same (www.insidethesame.com) mee ben naar Tanzania om de kinderen met albinisme te helpen. Samen met Gabriëlle (oprichtster van de stichting), Désirée (secretaris) en John (schoonvader van Gabriëlle) reis ik door Tanzania om ons in te kunnen zetten waar nodig. Kinderen met albinisme zijn hun leven niet zeker. De zogenoemde medicijnmannen geloven dat mensen met albinisme magische krachten bezitten. Het aantal aanslagen loopt op. Kinderen worden naar kampen gebracht zodat zij op een veilige plek kunnen leven. Hulp is heel hard nodig. Onze reis gaat nu verder naar Shinyanga.

14 juni vertrekken Gabriëlle en ik vanuit Lamadi voor 3 dagen naar Shinyanga, een andere plaats in het oosten van Tanzania. Ze spreken hier, net als in Lamadi de taal Swahili. Désirée en John blijven in Lamadi om bij Sister Helena te blijven helpen. Wij gaan samen naar kamp Buhangija toe om te kijken hoe het daar nu is. (Zie deze link voor meer informatie over dit opvang kamp). Vorig jaar was het er erg slecht. Er zaten 400 kinderen met albinisme en de omstandigheden waren niet goed. De slaapzalen lijken op veestallen waar de urinegeur sterk overheerst, matrassen zijn aangevreten en er hangen te kleine klamboes. Ze krijgen ugali, een soort rijst met bonen te eten. Dit zit in een grote ton en wordt op ijzeren borden aan de kinderen uitgedeeld. Het doet me denken aan een bord in de gevangenis, zo één die je alleen in films ziet. Zo’n schaal moeten meerdere kinderen delen en er wordt totaal niet op gelet of dat eerlijk verdeeld wordt. Ze eten dit zittend op de grond in het zand. Bestek is er niet, ze kneden hun eten fijn tot een bolletje en stoppen dat in hun mond. Je kunt je hier bijna geen voorstelling van maken tot je het zelf met eigen ogen hebt gezien. Ik ben voorbereid op het ergste, al weet ik niet of je je hier op kunt voorbereiden.

DSCN2756.JPG

Josiah is onze vaste driver. Een aardige jongen, zo rond de 30 jaar. Hij komt uit het dorp en helpt ook regelmatig mee in de opvang bij Sister Helena. Hij probeert gesprekjes met ons te hebben, we voelen ons op ons gemak bij hem. Hij heeft een fijne 5 persoons auto, we kunnen ruim genoeg zitten. Hij zegt dat het 2,5 uur rijden is, maar na 3 uur zijn we er nog steeds niet. Urenlang rijden we over een hobbelige zandweg, 20km per uur. Geen dorpjes te bekennen en eindeloze vlaktes. Het spookt wel even door ons hoofd dat als er nu iets gebeurd we echt in the middle of nowhere zijn. Niemand weet waar we precies zijn en zou ons terug kunnen vinden. Die gedachte moeten we snel weer uit ons hoofd zetten. Verstand op nul en gaan. Emoties en gedachtes moet ik regelmatig echt uit zetten om hier te kunnen zijn en dit te doen. Tranen wegslikken en sterk blijven. We zijn hier met een doel en we gaan door al weet ik wel dat ik dit thuis zal moeten gaan verwerken. Het is heel warm en de lucht is vies. Het is heel stoffig. We rijden met het raam open, er is geen airco. Als ik mijn gezicht tussendoor schoonmaak is het doekje bruin van het zand. Kleding krijgt ook een soort rode/bruinige waas, wat je er niet meer uitkrijgt.

Uiteindelijk zijn we er pas na 5 uur rijden! Afspraken maken met Afrikanen over het algemeen is best lastig en onduidelijk. Het is maar zien hoe laat je driver komt en hoe dit dan allemaal precies gaat. “This is Africa” zeggen we dan ook regelmatig in dit soort situaties en lachen er om, je druk gaan maken heeft totaal geen zin. Anyways, wij zijn blij dat we eindelijk op onze bestemming zijn. Ook is het fijn dat dit een beter hotel is dan in Lamadi. Het personeel spreekt Engels, ik heb een fatsoenlijke wc in plaats van een gat in de grond en er is zelfs (gebrekkige) wifi. Even kunnen contacten met Nederland is prettig. Al is het lastig om over te brengen wat ik nu allemaal meemaak en weet ik eigenlijk niet zo goed wat ik moet zeggen.

DSCN2749.JPG

We zetten onze spullen in de kamers neer en besluiten nog te gaan kijken bij kamp Buhangija, ook al is het bijna avond. We nemen een risico door een taxi chauffeur te nemen die we niet kennen omdat onze eigen driver niet in de buurt is. Het is hier op straat niet veilig voor ons, het is erg crimineel, berovingen en ontvoeringen zijn hier de orde van de dag. Ook een onbekende chauffeur kan een gevaar zijn. We laten het hotel een taxi bellen in de hoop dat we dan enigszins iemand krijgen die te vertrouwen is. Een wat bredere, oudere man, ik denk zo ongeveer 40 jaar, komt ons ophalen. Hij heeft een vriendelijk gezicht. Zijn Engels is niet goed, maar hij doet zijn best om ons te begrijpen. We hebben er wel een oké gevoel bij, dus we stappen bij hem in.

Na even zoeken heeft hij de plek gevonden waar we moeten zijn. Om het kamp staan hoge muren en hekken zodat de kinderen er veilig kunnen verblijven. Het blijft gek om bij zo’n kamp aan te komen. Het geeft een beetje het gevoel alsof je bij een gevangenis aankomt als de kinderen zo met hun handjes de tralies vasthouden en nieuwsgierig naar ons kijken. De “beveiliging” doet erg lastig en wil ons niet binnen laten terwijl er bekend is dat wij zouden komen. De directeur is er niet en ze moeten eerst toestemming krijgen. Ze blijven rustig hun potje dammen verder spelen en ze kunnen geen Engels spreken. Ze praten in het Swahili tegen elkaar, wij hebben geen idee waar het over gaat. Hebben ze het over ons? Het zijn 2 jonge jongens, tonen totaal geen interesse in ons en blijven lekker op hun stoel zitten. Wij staan erbij en kijken ernaar. Zo lang gereisd om hier te komen en dan laten ze je niet binnen, we krijgen een gevoel van onmacht. Uiteindelijk na wat telefoontjes mogen we toch naar binnen, maar alleen onder begeleiding van de beveiligers, ze vertrouwen ons toch niet helemaal. Er wordt uitdrukkelijk gezegd dat we geen foto’s mogen maken en alleen snel een rondje mogen lopen en gedag kunnen zeggen. We kunnen op deze manier niet veel doen en voelen ons niet op ons gemak. We blijven hierdoor maar kort en kunnen geen contact krijgen met de kinderen. We hopen dat dit morgen anders zal gaan als de directeur erbij aanwezig is. De driver heeft ons netjes weer terug gebracht bij het hotel. We slaan zijn nummer op zodat we hem voor het volgende ritje weer kunnen bellen.

IMG_0887.JPG

De volgende dag checken we eerst of de directeur er is voor we weer naar Buhangija gaan. Hij is aanwezig en deze keer kunnen we wel zonder problemen naar binnen. We hebben  eerst een gesprek met de directeur. We worden meegenomen naar zijn kantoor. Een kleine donkere ruimte waarin een houten tafel staat, wat zijn bureau is. Plastic stoelen worden voor ons gepakt om op te zitten. Hij ziet er netjes uit zo in zijn pak en neemt de tijd om met ons te praten. Hij is vriendelijk, maar wel zakelijk. Hij wijst ons op de regeltjes en gaat meteen over op de orde van de zaak. Om ons heen staan dozen vol met gedoneerde spullen. Hij is sinds kort de nieuwe directeur en het blijkt dat er veel is verbeterd sinds hij het heeft overgenomen. Het aantal kinderen is verminderd naar 200, het lijkt een stuk schoner en de kinderen zien er goed verzorgd uit. Niet alle kinderen zijn er, een deel is naar een sportevenement. Aan de ene kant zijn we blij, maar we willen ook weten waar de andere 200 kinderen dan zijn heen gegaan. Hij vertelt dat een deel van de kinderen zijn verplaatst naar andere kampen en er zijn ook kinderen die terug naar hun ouders zijn. We weten niet of dit goed nieuws is, buiten het kamp is het niet veilig voor ze. We blijven doorvragen, maar krijgen niet echt de antwoorden die we willen en weten niet zo goed wat we er van moeten denken.

Nadat we hebben getekend voor de kleding en zonnebrand die we hebben meegnomen mogen we het uitdelen. Het gaat wel onder leiding van het personeel. De kinderen moeten allemaal keurig op een rijtje zitten en stil wachten tot ze wat krijgen. Zo anders dan bij Sister Helena. Het lijkt alsof de kinderen regels hebben en niet naar ons toe mogen komen of met ons mogen praten, er is een afstand die niet goed voelt. Bij sister Helena sprongen de kinderen op ons af en wilden allemaal onze aandacht, samen spelen en knuffelen.

De kinderen zijn blij met de kleding en proberen bij elkaar de Nederlandse teksten op de shirts te lezen. Ze smeren zichzelf in met de zonnebrand die wij uitdelen. De afstand blijft, de kinderen zoeken weinig contact, vorig jaar was dit totaal anders en vroegen ze juist erg veel aandacht. We weten niet of dit is omdat ze het niet mogen of dat ze het zelf niet willen. Hoe kan het dat dit zo veranderd is? De vorige keer was het bijna vechten om de aandacht. Er zijn vrijwilligers uit het dorp die meehelpen in het kamp om de kinderen te verzorgen en liefde te geven, dat is fijn om te zien. Het is voor de kinderen ook beter om van iemand aandacht te krijgen die ze kunnen blijven zien. De vrouwen zien er vriendelijk uit en we zien dat ze de kinderen knuffelen en verzorgen.

We bekijken het terrein en de slaapruimtes. De slaapruimtes zien er “goed” uit nu, al zijn het een soort van veestallen met ijzeren stapelbedden. Naast de bedden staan grote ijzeren koffers waar de kinderen hun spulletjes in kunnen bewaren. Veel bezittingen hebben de kinderen niet. Hooguit enkele kledingstukken. Er wordt grondig schoongemaakt, al hebben we wel onze vraagtekens of dit nu speciaal wordt gedaan omdat ze wisten dat wij zouden komen of dat dit echt is hoe ze het normaal gesproken ook doen. Matrassen liggen buiten op grond en worden schoon gespoeld met een tuinslang. We hebben veel klamboes meegenomen die we gaan ophangen. Het personeel en de oudere meisjes helpen ons mee waardoor dat snel gaat. Er zijn in een jaar tijd meer stapelbedden bijgekomen. Heel goed want voorheen sliepen er soms 5 kinderen in 1 bed! Helaas hebben we nu wel te weinig klamboes om alle bedden er van één te kunnen voorzien. Als ik foto’s aan het maken ben wordt er een klein jongetje opgehaald die in het bed moet liggen en slapend moet poseren voor de foto. Dit komt niet vanuit ons. We worden de hele tijd nauwlettend in de gaten gehouden bij alles wat we doen. Verplaatsen we ons naar een andere ruimte dan loopt er direct iemand met ons mee. Het werk voelt op deze manier wat lastig aan. Ondanks dat we hier met de allerbeste bedoelingen komen, lijken ze ons toch te blijven wantrouwen.

We overleggen met de directeur over Meshak, een van de jongetjes hier in het kamp. We willen hem meenemen naar Sister Helena. Gabrielle heeft hem eerder ontmoet en wil voor hem een plek waar hij beter verzorgd wordt en meer liefde zal krijgen. De directeur zegt dat hij zijn best gaat doen om zijn familie te vinden zodat zij hier toestemming voor kunnen geven. Later die avond krijgen we te horen dat we hem niet mee mogen nemen. Sister Helena gaat er zelf achteraan om zijn familie te vinden. Er moet eerst gemeld worden dat hij ergens anders gaat wonen voor hij weg mag bij Buhangija. Gelukkig zijn de omstandigheden hier verbeterd en laten we hem niet met een heel slecht gevoel achter. De vraag is wel of er echt wat geregeld gaat worden, want als je er zelf niet bij bent en achter aan zit gaan ze er gemakzuchtig mee om.

DSCN2736.JPG

De dag erna gaan we weer terug naar Lamadi. Als we buiten op het terras zitten te wachten op Josiah (geen idee hoe laat hij er zal zijn) komt er ineens een politie-agent aanlopen. Onderweg in de auto kom je ook regelmatig politie tegen. Als ze je aanhouden kunnen ze je vragen voor de meest absurde dingen te betalen. Een sticker die je mist op je auto, papieren die zogenaamd niet kloppen of de brutale eis om hun eten of drinken te betalen. Als je niet betaald mag je niet verder rijden. Nu er een agent komt aanlopen hoop ik dat hij niet op me afkomt. Helaas stopt hij wel bij mij. Ik probeer meteen te bedenken wat er zal gaan gebeuren. Het is hier zo corrupt. Gabriëlle is net naar haar kamer om de spullen te gaan halen. Hij heeft een boze blik op zijn gezicht en heeft een norse autoritaire houding. Hij maakt slecht oogcontact en blijft de het terras en de omgeving observeren.  Hij komt naast mij staan en vraagt om mijn paspoort. Of nou ja vraagt, hij roept “Passport passport” met een niet al te vriendelijke stem. Ik probeer hem alleen te laten kijken, maar hij grist mijn paspoort meteen uit mijn handen. Hij bladert er wild doorheen en zegt dat het niet goed is. Hij wil weten wat ik hier kom doen. Ik vertel dat ik op vakantie ben en over een paar dagen naar huis ga. Hij gelooft me niet. Hij zegt dat ik hier kom om te werken en dat ik kom om de kinderen met albinisme te helpen. Hoe kan hij dit weten? Ik heb mijn shirt van de organisatie niet aan en er is niks wat een teken kan geven dat we daarvoor hier zijn. Ik vind het maar niks dat ik hier zo alleen op het terras zit. Elke minuut lijkt een eeuwigheid te duren. Ik probeer rustig te blijven, maar van binnen ben ik aan het huilen en raak ik in paniek. Na 10 minuten komt Gabriëlle er ook aan en ook zij moet haar paspoort laten zien. Ik leg haar snel uit wat er net gebeurd is en dat ze haar paspoort goed moet vasthouden als ze die gaat laten zien. Ook bij haar lukt dat niet. Hij trekt het paspoort uit haar handen. Druk bladerend roept hij dat het niet goed is. Hij zegt dat we een werkvisum nodig hebben. Er komen nog 3 politiemannen bij en ze willen ons arresteren. We moeten nu mee naar het bureau zeggen ze. Wij worden best wel bang en weten niet wat we moeten doen. De tranen staan in mijn ogen. Gelukkig heb ik een zonnebril op en kan ik het verbergen. We hebben geen woorden naar elkaar nodig, onze blikken kruisen elkaar en we voelen elkaars angst. Ook is er een adrenaline kick, het gevoel om hier goed uit te moeten komen, het moet lukken. Gedachtes gaan alle kanten op met wat we kunnen doen of moeten zeggen. Uiteindelijk besluiten we iemand te gaan bellen voor hulp.

We bellen Sister Helena, maar die neemt niet op. Désirée neemt wel haar telefoon op en zegt dat we moeten zeggen dat we de ambassade gaan bellen en niet mee moeten gaan of in ieder geval moeten wachten tot Josiah er is zodat hij ons kan helpen. Als de agent aan het bellen is met het bureau zie ik mijn kans en pak ik stiekem de paspoorten terug van de tafel. Nooit gedacht dat ik dat zou durven, tegen de politie in gaan. Vlug stop ik ze diep onder in mijn tas. Ik blijf praten met de andere agent en zeg dat we hier niks verkeerds komen doen. We komen niet om geld te verdienen en bovendien gaan we over een paar dagen al terug naar Nederland. We hebben thuis een baan en gezin. Hij heeft daar niet echt oren naar en blijft herhalen dat het niet goed is wat we hier komen doen. Ik roep de hoteleigenaar erbij, maar die helpt ons ook niet echt mee. Uiteindelijk beëindigt de agent het telefoongesprek en zegt dat we nu niet mee hoeven naar het bureau maar zodra hij ons nog een keer hier ziet we meteen mee moeten en er dan niet meer mee wegkomen. Hij zegt dat hij wel onze paspoorten meeneemt. Gelukkig had ik die dus al snel terug gepakt. Zodra hij dat doorheeft laat hij het erbij zitten en ze gaan weg.

We komen er met de schrik vanaf. We staan nog te shaken en zijn best van slag. Nadat de politie-agenten zijn vertrokken praten we nog met de eigenaar van het hotel en het blijkt dat hij diegene was die de politie heeft ingelicht over wat wij hier doen! Hier voelen we ons dus ook niet meer op ons gemak. Zo bizar hoe het er hier aan toegaat. Het is een beetje een vaag verhaal maar het komt er op neer dat hij bevriend is met hun en daarom verteld had dat wij hier waren en wat ons doel was. We durven niet meer op het terras te blijven zitten en gaan naar binnen toe. We proberen contact te krijgen met Josiah, maar krijgen geen antwoord van hem. Er zit niks anders op dan te wachten tot hij er is. Gelukkig duurt het niet heel lang meer. Als hij na een half uurtje arriveert stappen we snel bij hem in de auto en vertellen wat er is gebeurd.

Wij zagen het al voor ons, gevangen in het buitenland, hoe zal dat zijn afgelopen? Wat een schrik. Je wordt wel even met je neus op de feiten gedrukt. Deze reis met zo’n missie is niet zonder risico’s. Oh wat zijn we blij als we na 6 uur rijden eindelijk weer veilig terug zijn bij Désirée en John en elkaar een dikke knuffel kunnen geven!

Advertenties

Lamadi – Sister Helena

Africa, Blog, My travel stories, Tanzania

In de vorige blog heb je kunnen lezen dat ik met stichting Inside The Same (www.insidethesame.com) mee ben naar Tanzania om de kinderen met albinisme te helpen. Samen met Gabriëlle (oprichtster van de stichting), Désirée (secretaris) en John (schoonvader van Gabriëlle) reis ik door Tanzania om ons in te kunnen zetten waar nodig. Kinderen met albinisme zijn hun leven niet zeker. De zogenoemde medicijnmannen geloven dat mensen met albinisme magische krachten bezitten. Het aantal aanslagen loopt op. Kinderen worden naar kampen gebracht zodat zij op een veilige plek kunnen leven. Hulp is heel hard nodig. Onze reis gaat nu verder naar Lamadi.

Het grootste gedeelte van de reis verblijven we in Lamadi, een klein dorpje in het oosten van Tanzania. We hebben een binnenlandse vlucht genomen van Dar es Salaam naar Mwanza. Vanaf daar is het nog 2,5 uur rijden naar Lamadi. Met een ruime 4×4 jeep is dit ritje prima te doen. Onderweg stoppen we bij het Talapia Hotel. Hier ontmoeten we Karene (oprichtster van de stichting Zeru Zeru), haar dochter Lauren en stagiaire Matthew. Zij reizen met ons mee naar Sister Helena. Zij zullen zich daar ook in gaan zetten voor de kinderen met albinisme.

DSCN2849.JPG

Sister Helena heeft een opvang waar op dit moment 65 kinderen verblijven waarvan de meeste albinisme hebben. Er worden ook kinderen opgevangen die thuis een handicap hebben of thuis verstoten zijn. Zij zorgt voor een veilig onderkomen voor deze kinderen.
In Oost-Afrika heerst er een soort vloek over het albinisme. Je bent je leven er niet zeker. De zogenaamde “Witchdoctors” (toverdokters/ medicijnmannen ) geloven dat mensen met albinisme (MMA) magische krachten bezitten. Ze geloven dat ledematen, ingewanden en haar van MMA geneeskrachtig werkt, de toekomst kan bepalen en geluk brengt. In sommigen gevallen worden er zelfs door eigen familie aanslagen gepleegd op MMA omdat het veel geld oplevert.
In Oost Afrika komt albinisme veel voor, maar in Tanzania is dit aantal het grootst. In Oost Afrika worden er 1 op 20.000 baby’s geboren met albinisme en in Tanzania is dit 1 op de 1400! 

Het moment van aankomst bij Sister Helena is emotioneel. Alle kinderen staan buiten te zingen en dansen als we aankomen. We krijgen een enorm warm welkom. Ze blijven achter elkaar door het lied “Karibu Sana” zingenDit betekend letterlijk ‘heel erg welkom’. Het kippenvel staat meteen over mijn hele lichaam. Ik voel al meteen de enorme dankbaarheid van iedereen hier, terwijl we nog niets gedaan hebben. De kinderen komen ons meteen begroeten en knuffelen. Ze willen opgetild worden en samen spelen. Het is voelbaar hoe erg ze liefde moeten missen en daar meteen om komen vragen. Ook Sister Helena begroet ons liefdevol met een dikke knuffel.

We ontmoeten ook meteen de Italianen die hier werken aan het project wat gefinancierd wordt door Inside The Same. Ze laten ons zien hoe ver ze tot nu toe zijn gekomen. Het doel is om binnen een paar weken op dit kamp sanitair aan te leggen. Douches en wc’s zijn er op dit moment niet. De kinderen worden in ijzeren teiltjes gewassen met een stuk zeep en kapotte doeken. De kleinste kinderen dragen geen luiers, dat hebben ze hier niet. Ze laten hun ontlasting gewoon lopen en krijgen dan nieuwe kleding aan. Een stukje hygiene mist hier dus zeker.

Na de lange reis wordt er van ons verwacht dat we direct in de auto stappen om mee te gaan naar de commissaris. Hij wil ons meteen zien. We moeten in een krap busje een lang stuk rijden. Het is warm en we zitten tegen elkaar opgepropt op een houten bankje. We hebben geen idee wat we kunnen verwachten. Langer dan een uur duurt het voor we er zijn. We worden gevraagd te wachten tot de commissaris ons kan ontvangen. Hij laat ons zeker een uur wachten voordat we naar binnen mogen. Sister Helena krijgt een enorme zak rijst om de kinderen mee te kunnen voeden. De commissaris is blij met wat wij hier komen doen en wil ons mee uit eten nemen. Wij zijn eigenlijk uitgeput, maar willen niet ondankbaar zijn en gaan mee. Ik zit naast de commissaris, wat nogal ongemakkelijk is. Hij is alleen maar druk op zijn telefoon. Hij is filmpjes aan het kijken en er is geen contact met hem te krijgen. Hij is vol van zichzelf en lijkt het vooral heel interessant te vinden dat hij ons dit cadeau doet. We zijn blij als we ’s avonds laat eindelijk naar ons hotel kunnen gaan.

Voor de begrippen van hier verblijven wij in een luxe hotel. Dit is voor ons verre van dat. Het is ontzettend primitief. Er zijn een paar kamers. De eigenaresse spreekt geen Engels. Swahili is de taal die zij spreekt. Met handgebaren en een translater moeten we ons zelf duidelijk maken. Ik moet wel even slikken als ik in mijn kamer kom. Het ziet er smoezelig uit. Ik heb een eigen slaapzak en kussen mee, waar ik nu erg blij mee ben. Er zitten allemaal beestjes in de kamer. Er staan een plastic tafel en stoel in de kamer waar ik mijn spullen op kwijt kan. De badkamer is niet veel beter. Mijn wc is een gat in de grond. Uit de douche komen een paar druppels water. Het water komt rechtstreeks uit het Victoria Lake, waardoor er de kans bestaat om ziektes op te lopen. De waskraan wiebelt alle kanten op en ook daar komt een mini straaltje water uit. Of de stroom het doet is ook de vraag. Regelmatig valt deze voor een paar uur uit. Ik was voorbereid op deze situatie, maar toch moet ik wel even een knop voor mezelf omzetten.

Elke ochtend worden we opgehaald door Josiah, onze driver, om naar Sister Helena te gaan. Dit is 5 minuten bij ons hotel vandaan, maar het is niet veilig voor ons om hier over straat te lopen. Er bestaat risico op overvallen en berovingen. De eerste dag delen we de gedoneerde spullen uit. Knuffels, speelgoed, zonnebrand, pap, tandpasta en tandenborstels. Ieder van ons heeft 2 koffers meegenomen met zo min mogelijk spullen voor ons zelf en daarbij de gedoneerde spullen. De kinderen zitten op de grond als wij de spullen uitdelen. Ze worden ontzettend blij als ze zien wat ze allemaal krijgen. De knuffels zijn favoriet. Ze hebben er meteen hun eigen fantasiespel mee.

De meeste kinderen spreken alleen maar Swahili, maar er zijn weinig woorden nodig om met ze te kunnen spelen en ze te begrijpen. Ze hebben vooral liefde en aandacht nodig. De jongste kinderen zoeken dit zelf heel erg op. Ik vind het aangrijpend. Ze klampen zich stuk voor stuk aan je vast. Ze willen opgetild worden en willen vervolgens dat je ze niet meer loslaat. Ze vragen of ik hun moeder wil zijn of dat ze mijn baby mogen zijn. Ze hebben de knuffels heel erg nodig. De grotere kinderen hebben de aanrakingen minder nodig. Zij willen wel graag samen spelen.

DSCN2085.JPG

Als ontbijt krijgen de kinderen een soort van pap. Dit zit in een grote ton. Ieder kind krijgt een ijzeren mok. In een grote kring gaan de kinderen op de grond zitten en drinken dit op. Het volgende eet moment krijgen de kinderen ugali. Dit zijn een soort bonen. Ze krijgen hier rijst bij. Een enkele keer een klein stukje vlees of vis. De voedingswaarde is zeer laag. De kinderen eten met hun handen terwijl ze op de grond zitten. Ze kneden het voedsel tot een balletje en stoppen het in hun mond. Kleinere kindjes zitten er soms verloren bij en snappen de bedoeling niet. Gelukkig zien we dat de oudere meisjes graag zorgen voor de kleinere kinderen. Ze helpen hun mee waar nodig.

Ik ben er mee bezig om van elk kind een soort dossier te maken. Van iedereen maak ik een portret foto. De oudere meisjes die Engels kunnen spreken helpen mij met de namen en leeftijden van de kinderen. Ik praat met Sister Helena om de verhalen achter de kinderen op papier te kunnen zetten. Karen gaat dit jaar nog verhuizen naar Tanzania en kan dan af en toe updates geven over hoe het met de kinderen gaat. Dit kunnen we dan bijhouden in het dossier. De verhalen zijn vreselijk. Zo afschuwelijk wat deze kinderen allemaal hebben moeten meemaken terwijl ze nog zo jong en onschuldig zijn. Het is onbegrijpelijk, ik heb er geen woorden voor.

De moeder van Fatuma (6 maanden) schaamde zich voor een kind dat er anders uit zag. Ze bracht haar bij Sister Helena, maar zij vertelde dat ze nog te jong was. Moeder maakte een grote wond op het hoofdje van Fatuma en bracht haar opnieuw naar Sister Helena. Ze vertelde dat ze was aangevallen. Dit keer besloot Sister Helena dat ze wel mocht blijven. Moeder is nooit meer terug gekomen om haar te bezoeken

Madirisha (1 jaar) is maar net ontsnapt aan de dood. Zijn oma had moordenaars ingehuurd om hem te doden. Oma zei tegen moeder: “why should we all live in poverty when we have an albino child we could kill and get money for- you have billions of shillings on your back!” Moeder is gevlucht en heeft Madirisha voor zijn veiligheid bij Sister Helena achter gelaten. 

De ouders van Michael (11 jaar) wilden hem verkopen. Sister Helena kreeg dit te horen en zij heeft hem toen gekocht zodat hij veilig bij haar kon komen wonen. Toen hij ziek werd belde Sister Helena naar zijn vader om het te vertellen. De vader zei “Ik heb geen zoon, bel mij nooit meer”. Daarna belde ze zijn opa en die zei “je verspilt je geld, de jongen heeft een vloek over zich, ik heb hem betoverd”. Michael werd na een week in het ziekenhuis weer beter. Sister Helena belde naar opa om het goede nieuws te vertellen. Zijn opa was blij, want nu kon hij hem verkopen en wilde hem komen ophalen. Gelukkig heeft Sister Helena dit kunnen tegenhouden en de politie heeft zijn opa opgepakt.

En dit zijn nog maar een paar van de verhalen. Zo heeft elk kind in elk kamp een verhaal. Iedereen heeft wat vreselijks meegemaakt. Mijn hart huilt. Hoe kan dit nog gebeuren op deze wereld.

We smeren de kinderen elke dag in met zonnebrand. Wij vertellen ze dat het heel belangrijk is dat ze dit ook zelf blijven doen als wij er niet meer zijn. De kinderen verbranden ontzettend snel door hun lichte huid en lopen daardoor veel risico op het ontwikkelen van huidkanker. Wij hopen dat ze ons advies begrijpen en hiermee doorgaan.

Kinderen liggen overdag geregeld overal en nergens te slapen. Op de stenen vloer, in het zand of tussen de spelende kinderen. Er is niemand die ervoor zorgt dat ze een middagdutje in bed kunnen doen. Ze vallen gewoon ter plekke in slaap wanneer ze moe worden. Het voelt naar voor ons om ze zo te zien. Als we het zien leggen we ze op de bank of nemen ze bij ons op schoot om te slapen. Voor hier is het normaal, maar wij kunnen er niet aan wennen.

DSCN2647.JPG

Tijdens ons verblijf is het “International Albinism Awareness Day”. De dag dat er wordt stil gestaan bij de bewustwording van albinisme. Mooi dat wij deze dag hier kunnen meemaken. Het is een belangrijke dag. ’s Ochtends vroeg worden alle kinderen helemaal mooi gemaakt om mee te gaan naar het feest. Ze krijgen hun mooiste kleren en schoenen aan. Kroontjes, haarbandjes en sjerpen. Uren lang is iedereen bezig om zich klaar te maken. De kleinste kindjes gaan mee op de motor en de rest gaat lopen. In een grote stoet lopen we naar het beginpunt van het feest. Honderden mensen komen op deze dag af. Er is muziek, er wordt gedanst en iedereen is heel blij. Met zijn alle lopen we naar de plek van het feest. Daar staan stoelen en tenten klaar op een veld. De kinderen van Sister Helena treden op en er worden allerlei toespraken gehouden. Groot feest voor iedereen daar! Er wordt de hele dag in het Swahili gesproken waardoor wij niet meekrijgen wat er precies allemaal gezegd wordt, maar het is een groot spektakel.

“God created our skin tones with beautiful variety, but all of our souls are the same colour”

Gabriëlle en ik gaan voor 3 dagen naar Shinyanga om een ander kamp te bezoeken. Meer hierover vertel ik in de volgende blog. Als wij terug komen hebben we nog een hele dag om bij Sister Helena mee te helpen. In de ochtend verteld ze ons dat er kinderen worden opgehaald door hun ouders om een paar weken vakantie thuis te kunnen doorbrengen. De kinderen worden allemaal weer mooi aangekleed voor de speciale dag. De ouders gaan eerst met Sister Helena praten en daarna komen alle kinderen erbij zitten op een kleed. Het is heel apart om te zien dat er afstand wordt gehouden en dat ze helemaal geen contact zoeken met hun kind. De ouders zitten om de kinderen heen op een bankje. Er wordt in het Swahili gesproken dus wij kunnen niet volgen wat er verteld wordt. Ineens gaan er een heleboel kinderen huilen. Heel hard en intens. Wij begrijpen niet wat er gebeurd, de hele sfeer veranderd. Kippenvel staat meteen op mijn armen. We vragen wat er aan de hand is en komen er dan achter dat ouders een klein bedrag moeten betalen om hun kind mee te nemen en dat veel ouders dit niet hebben. De ouders wisten dit van te voren. Het is een soort van borg dat ze hun best hebben gedaan om hun kind te mogen meenemen en weer terug komen brengen. Er zijn maar 11 kindjes die uiteindelijk blij met hun ouders mee mogen gaan. De rest blijft heel erg verdrietig achter. Uren lang wordt er gehuild en de kinderen zijn ontroostbaar. Hartverscheurend om hun pijn van zo dichtbij mee te maken. Wij zijn ook erg aangedaan. We proberen zoveel mogelijk kinderen te knuffelen en steunen.

De laatste dag is aangebroken. We moeten afscheid gaan nemen van de kinderen en Sister Helena. Dat is een lastig moment. We maken nog wat laatste foto’s en video’s en knuffelen met iedereen. Loslaten is moeilijk. Het doet pijn om de kinderen hier zo achter te laten. In korte tijd heb ik een band opgebouwd met de kinderen. Ik hoop op het beste voor ze. Ook bij het afscheid wordt er weer uitgebreid voor ons gezongen. Terwijl ze “Asante Sana” (heel erg bedankt) zingen, zwaaien ze ons gedag. Met een traan vertrekken we door de poort.

DSCN2448.JPG

Een ontzettend mooie, maar vooral ook heftige ervaring om hier voor een langere tijd te zijn en de kinderen te helpen. Het is lastig te beschrijven hoe het hier was. Emoties heb ik daar goed kunnen uitschakelen, ook al was het een aantal momenten flink slikken, maar die moeten nu nog wel verwerkt worden. Het is niet niks wat je ziet en meemaakt. Het liefst zou ik ze toch allemaal mee naar huis nemen. Voor nu is het weer vanuit Nederland doen wat we kunnen. De kinderen hebben een plekje in mijn hart. Hopelijk ga ik ze weer terug zien. 

“You can do anything but not everything” 

Dar es Salaam

Africa, Blog, My travel stories, Tanzania

Begin juni 2017 vertrek ik naar Tanzania. Ik ga mee met de stichting Inside The Same(www.insidethesame.com) om de kinderen met albinisme te helpen. Voor 2 weken ga ik hier vrijwilligerswerk doen. Samen met Gabriëlle (oprichtster van de stichting), Désirée (secretaris) en John (schoonvader van Gabriëlle) reis ik door Tanzania om ons in te kunnen zetten waar nodig.

Albinisme is een zeldzame, niet besmettelijke, genetische afwijking met betrekking tot het ontbreken van pigment in de huid, haar en ogen. Albinisme komt wereldwijd voor, ongeacht de nationaliteit of het geslacht. Bij de meest voorkomende vormen van albinisme moeten zowel de vader als de moeder de genen doorgeven. Ook als de ouders geen albinisme hebben kunnen ze dragers zijn van het gen. De huid van iemand met albinisme is vaak erg bleek door het ontbreken van pigment. Hierdoor wordt de huid niet beschermd tegen de zon waardoor de huid snel verbrand en de kans op huidkanker vele malen groter is. De kleur van het haar is vaak wit en de kleur van de ogen van mensen met albinisme (in tegenstelling tot dieren) is veelal blauw. Omdat het netvlies geen pigment bevat kan er een rode vlaag te zien zijn omdat je als ware in het oog kijkt. Mensen met albinisme hebben bijna altijd slecht tot zeer slecht zicht (10%) en de ogen zijn erg gevoelig voor fel licht (lichtschuwheid). Verder maken de ogen van mensen met albinisme vaak willekeurige bewegingen, dit wordt Nystagmus genoemd.

In verschillende blogs zal ik vertellen over hoe de reis is verlopen. In de reisverslagen op de website van Inside The Same zal ik meer inhoudelijk vertellen over wat voor werkzaamheden we hebben gedaan. Kinderen met albinisme zijn hun leven niet zeker. De zogenoemde medicijnmannen geloven dat mensen met albinisme magische krachten bezitten. Het aantal aanslagen loopt op. Kinderen worden naar kampen gebracht zodat zij op een veilige plek kunnen leven. Hulp is heel hard nodig. Onze reis begint in Dar es Salaam. 

DSCN1981.JPGThere we go…

De eerste 2 nachten en laatste 2 nachten van onze reis verblijven we in Dar es Salaam bij het The Salvation Army. Dinsdag 6 juni komen we ’s avonds aan op het vliegveld van Dar es Salaam. Daar maken we meteen kennis met hoe er te werk wordt gegaan in Afrika. We moeten een visum regelen. Bij een loketje moet je betalen. Je laat daar je paspoort achter en gaat in een wachtruimte zitten. Hier wacht je tot je naam wordt geroepen. Je moet goed opletten, want de namen worden onduidelijk en snel achter elkaar geroepen.

Met ons eigen paspoort verlaten we het vliegveld. We worden opgehaald door Adrian, een bekende taxi driver, die ons naar The Salvation Army brengt. Een fijne plek om de reis mee te beginnen. Het is een beveiligd terrein waar appartementen verhuurd worden. Er is airco, een goede douche en redelijk ok eten. Het is fijn om de reis zo te kunnen starten en langzaam te kunnen wennen aan de Afrikaanse cultuur.

Dar es Salaam staat bekend om zijn criminaliteit. Het is dan ook niet veilig voor ons om hier alleen over straat te gaan. Wij gaan alleen met onze vaste taxi driver de straat op. De deuren gaan op slot en de driver geeft op bepaalde plekken ook aan dat het niet veilig is. Er vinden veel overvallen en berovingen plaats. Qua kleding hebben wij hier ook rekening mee gehouden. Geen blote schouders en korte broeken. Dit kan als aanstootgevend worden gezien en dat kan leiden tot nare situaties.

DSCN2010.JPG

Op het terrein van The Salvation Army staat de Matumaini School. Deze school is speciaal voor kinderen met een beperking of albinisme. Zij krijgen hier de speciale hulp die ze nodig hebben. Stichting Inside The Same zet zich in voor deze school en financiert de scholing van een aantal kinderen met albinisme.

De eerste dag hebben we afgesproken met vrouwen van Wings of Support

De volgende ochtend zien we Harm en Ann-Christell. De meiden van de Wings of Support (WOS) komen naar ons toe (https://www.wingsofsupport.org/?lang=nl). Een mooie organisatie die kleinschalige, rechtstreekse projecten uitvoert. Wij hebben een mooie samenwerking kunnen werven tijdens deze reis.

Ann-Christell neemt ons dan mee naar Mbgala Girl Home. Dat is een opvanghuis voor meisjes vanaf 7 jaar die uit de mensenhandel gered zijn. Joyce (financieel ondersteunt door Inside The Same) verblijft hier meestal in de vakanties als de meisjes naar huis zijn. We krijgen een rondleiding en Ann-Christell verteld hoe het traject hier in zijn werk gaat. Erg heftig te horen hoe deze kinderen in de mensenhandel terecht zijn gekomen en hoe ze als slaaf gebruikt werden.

Weer terug bij The Salvation Army lunchen we met elkaar en gaan dan Matumaini School bekijken. Helaas is het vakantie en kunnen we de kinderen nu niet zien. In samenwerking met de WOS hebben we voor een mooi bedrag visuele hulpmiddelen kunnen aanschaffen voor de Matumaini School. Deze overhandigen we aan Thomas en Stivina. Hier zullen de kinderen heel veel profijt van hebben in hun leerproces, en zeker zeer blij mee zijn!

We hebben een bespreking over Joyce en Faustine met Thomas en Stivina. We vragen hoe het met ze gaat en of alles goed verloopt. Joyce doet het uitstekend! Ze is zeer leergierig en doet erg haar best. Faustine heeft wat meer moeite met leren, maar ze zien wel dat het steeds iets beter gaat. Ze verwachten dat hij in de toekomst beter zal gaan presteren. Faustine heeft een broertje met albinisme, die ook graag naar Matumaini School wil komen. We kunnen een mooie deal sluiten. De vader van Faustine moet hier nog wel voor langskomen en formulieren invullen.

De volgende ochtend hebben we al vroeg een vlucht naar Mwanza en vanaf daar rijden we naar Lamadi. Hoe het daar is geweest lees je in de volgende blog.

DSCN2026.JPG

De laatste 2 dagen zijn we weer terug in Dar es Salaam. De reisdag terug hierheen wordt ik heel ziek. Hoge koorts, niks binnenhouden, overal pijn. Een paar uur met de taxi, een uur vliegen en lang wachten is dus even afzien.  De dag erna ben ik nog ziek en blijf in het huisje terwijl de rest op pad gaat om nieuwe pannen te kopen voor The Salvation Army. ‘S avonds ga ik wel mee naar de afspraak met Jonathan van de Josephat Torner Foundation. We overhandigen hem zonnebrand en praten tijdens het eten met elkaar. Dan is de laatste dag van onze reis alweer aangebroken. Gelukkig voel ik me weer wat beter. We kunnen rustig inpakken en hebben wat tijd om naar Slibway Market te gaan om souveniertjes te kopen. Die avond vertrekken we weer terug naar Amsterdam.

Na zoveel armoede, heftige situaties en slechte omstandigheden ben ik heel blij om hier weer terug te zijn. Het besef is er dan weer extra dat wij hier echt alles hebben wat we maar nodig hebben en het zo goed hebben. Ik ben weer een hele mooie ervaring rijker en ik had dit zeker niet willen missen. Het is zo goed om wat voor anderen te kunnen doen. De kindjes hebben daar alle liefde en aandacht hard nodig. Ondanks dat het soms best wel afzien was, krijg je er veel waardering voor terug! Het is een harde manier om in te zien hoe goed wij het eigenlijk wel niet hebben. Hoe blij kun je zijn met licht wat gewoon aan gaat als je op het knopje drukt, water uit de kraan of een gewone wc. Dankbaar! Ontzettend dankbaar voor dat ik het zo goed heb!

DSCN2953

Spread the word: Inside we are all the same!!!